PDA

View Full Version : beleid uit imperium romanum


Gertjan
21 augustus 2002, 23:22
In de 6de eeuw v.C. regeerden in Rome Etruskische koningen. Deze godkoningen verenigden alle macht in hun persoon. Hun eigenmachtig optreden hield weinig rekening met de volksvergadering en de senaat. Misschien verjoegen de Romeinen daarom de laatste Etruskische koning in 509 v.C. Van dan af was Rome een REPUBLIEK politiek werd een 'res publica' , een zaak voor heel het Romeinse volk.

Twee magistraten, de consuls, namen de koninklijke macht over. Ze bleven maar 1 jaar in dienst en konden elkaars beslissingen met hun vetorecht tegenhouden. Hiermee wilden de Romeinen een alleenheerschappij zoals onder de Etruskische koningen voorkomen. Rome besturen werd alsmaar ingewikkelder. Daarom moesten er nieuwe magistraten bijkomen om een aantal bestuurstaken van de van de consuls over te nemen. Zo kwam er in Rome een hele hierachie van magistraten. De Romeinse volksvergadering besliste net als in hellas over oorlog en vrede, keurde wetsvoorstellen goed en af en stelde de magistraten aan. De senaat bestond uit oud-magistraten en dat waren in het begin allemaal patriciërs. Eigenlijk hadden de senatoren alleen maar een raadsgevende taak. Maar door het enorme aanzien van de senaat voerden de magistraten hun besluiten altijd uit. De senaat beheerde de schatkist en was baas over de buitenlandse politiek. Bovendien kon hij in crisisperiodes een dictator aanstellen. Die kreeg dan voor 6 maanden de absolute macht om een hachelijke situatie op te lossen.De senaat en de patriciërs hadden dus in Rome de touwtjes in handen

De plebejers vielen de macht van de patriciërs aan in een regelrechte standenstrijd. Ze eisten hun eigen politieke leiders: de volkstribuun. Die konden met hun vetorecht beslissingen van magistraten of senaatsbesluiten tegenhouden. Ook sociaal boekte het plebs vooruitgang: er kwamen geschreven wetten, de plebejers mochten huwen met patriciërs, ze kregen stilaan toegang tot alle ambten en en konden bijgevolg ook senator worden. Toch was de Romeinse republiek niet democratisch. Er ontstond gewoon een nieuwe verdeling van de macht op basis van rijkdom. Een kleine groep van patriciërs en rijke plebejers had de werkelijke macht. De grote massa arme plebejers had nog steeds niets te zeggen.

Tijdens de verovering van het Middellandse-Zeegebied streden de kleine boeren mee in het Romeinse leger. Intussen bleven hun akkers onbewerkt achter. Na de oorlogen waren grote delen van Italië totaal verwoest. Vanuit de provincies stroomde goedkoop graan naar italië. De boeren konden die concurrentie niet aan, en velen werden geruïneerd. Ze verkochten hun bedrijfje voor een appel en een ei aan een grootgrondbezitter en trokken naar Rome. Daar vergrootten ze de grote massa werkloze stadsproletaliërs. De grootgrondbezitters trokken wel profijt uit de veroveringen. Zij schakelden van graanteelt over op veeteelt, olijven en wijnbouw. Op hun latifundia stelden ze grote aantallen slaven als goedkope als goedkope arbeidskrachten te werk. De stad Rome was een ideale afzetmarkt voor hun producten. Door de toename van de handel konden ondernemende plebejers zich tot kapitaalskrachtige kooplui of bankiers opwerken. De tegenstelling tussen rijk en arm leidde tot een tweeledige maatschappij. De rijken vormden een kleine bovenlaag: de patricische grootgrondbezitters waren de "oude rijken" en de kapitaalskrachtige plebejers de "nieuwe rijken". Daartegenover stond de grote massa van arme plebejers.

De Romeinse provincies waren veroverde gebieden buiten italië. In een nieuwe provincie hielden de Romeinen het plaatselijk bestuur in stand, maar met een Romeinse gouverneur. Hij moest de orde handhaven en belastingen innen. De Romeinse gouverneurs wilden in de provincies hun dure verkiezingsinvesteringen in korte tijd terugwinnen.De ontvangen belastingen verdwenen dan ook gedeeltelijk in eigen zak. Julius Caesar bijvoorbeeld legde er de basis van zijn fortuin en latere militaire macht. De provincies waren wingewesten waarvan de bewoners geen Romeinse burgers werden, maar uitgebuite onderdanen.

Door de verovering van de Hellenistische wereld nam vooral de invloed van de Griekse cultuur op Rome toe. Net zoals de Grieken gebruikten de Romeinen munten als betaalmiddel. Grieks werd de tweede taal. Gegoede Romeinen kochten voor de opvoeding van hun kinderen Griekse slaven of stuurden hun zonen naar Hellas. Griekse, Egyptische en Perzische goden lokten meer en meer aanhangers. De Romeinse schrijvers, schilders, beeldhouwers en architecten namen de Griekse kunst als voorbeeld .

In de eerste eeuw v.C. overheerste Rome het het Middelands-Zeegebied. Al snel moest de senaat de keerzijde van deze heerschappij ervaren. Het Romeinse leger bestond voor een groot deel uit dienstplichtige boeren, die samen hun akkers verdedigden. Na de veroveringen nam de boerenbevolking sterk af en verzwakte et Romeinse leger. De vroegere boeren dwaalden nu als arme proletariërs doelloos in Rome rond op zoek naar werk. De talloze krijgsgevangenen werkten als slaven, maar kwamen geregeld in opstand. In de provincies groeide het protest tegen de zware belastingen. De behoudsgezinde senatoren lieten na om deze problemen aan te pakken.

De volkstribunen Tiberius en Gaius Gracchus bestreden de armoede. Ze wilden de landbouwgrond herverdelen, kolonies stichten in en buiten Italië en aan de stadbevolking van Rome goedkoop graan verkopen. Zonder succes: de grootgrondbezitters lieten hen vermoorden. Consul Marius hervormde het leger. Hij wierf zelf zijn soldaten aan, ook bij de Romeinse proletariërs. Marius beloofde hen soldij, deelname in de buit en akkerland als afzwaaipremie. Het Romeinse boerenleger werd een beroepsleger. De soldaten vochten niet langer voor Rome maar voor hun generaal. Nu kon een generaal de moeilijkheden in Rome bestrijden, maar ook een staatsgreep plegen en alle macht naar zich toe trekken.

Ca. 80v.C bedreigden piraten in de Middellandse Zee de graantransporten en rukten opstandige slaven met een leger op naar Rome. De generaals Crassus en Pompejus losten de problemen op. Stap voor stap baande Caesar zich een weg naar de macht. Hij organiseerde gratis broodbedelingen en spelen en werd populair bij het proletariaat. Nadien vormde gij met Crassus en Pompejus een triumviraat waarmee hij de senaat uitschakelde. Zijn aanzien in Rome nam toe door de verovering van Gallië. In de provincies die hem steunden, verleende hij burgerrecht. Tenslotte schakelde hij na een burgeroorlog zijn twee tegenstanders uit. Caesar was nu een onwettig alleenheerser. Daarom vermoordden enkele conservatieve senatoren hem. Een triumviraat eindigde met een burgeroorlog tussen Octavianus en zijn rivaal Antonius, gesteund door de Egyptische koningin Cleopatra. In de zeeslag bij Actium in 31v.C. zegevierde Octavianus. Met hem begon een heel nieuw tijdperk.












[code:1:76ed4c5694][/code:1:76ed4c5694]

Gertjan
21 augustus 2002, 23:25
de bron van dit alles is historia 2