Wie zonnepanelen heeft zou minder getroffen worden door de inflatie...
Citaat:
https://www.hbvl.be/cnt/dmf20220605_93072383
Heb je zonnepanelen? Een bedrijfswagen? De historisch hoge inflatie heeft ook winnaars
Voor wie een bedrijfswagen, zonnepanelen en een hypotheek heeft, stijgt de levensduurte veel minder hard dan het officiële inflatiecijfer suggereert. Zo doet de inflatie de ongelijkheid toenemen.
‘Het zou mij niet verbazen dat mijn koopkracht sinds de stijging van de energieprijzen is toegenomen.’ Dat zei voormalig kabinetschef Wim Coumans vorige week in deze krant. De uitspraak gaat in tegen de gangbare denktrant. Zowel bij de vakbonden, in de Wetstraat als bij het brede publiek heerst het idee dat de hoge inflatie aan de koopkracht vreet.
Toch zou het heel goed kunnen dat Coumans’ inschatting correct is. En hij is niet alleen. Het is waarschijnlijk dat een deel van de Belgische bevolking er in koopkracht op vooruit- in plaats van achteruitgaat. Want achter het gemiddelde inflatiecijfer van 8,97 procent in mei, gaat een zeer complexe werkelijkheid schuil. Economen hebben er al op gewezen dat de koopkracht in België beschermd wordt via de indexkoppeling. De lonen en uitkeringen stijgen mee met de levensduurte. Maar die stijgt niet voor elk huishouden in gelijke mate. De inflatie wordt berekend op basis van een doorsneeconsumptiepatroon. Maar naargelang een gezin minder of meer inflatiegevoelige goederen en diensten koopt, wordt het door de indexkoppeling over- of ondergecompenseerd.
Veelrijders zonder tankkaart
Neem een simpel voorbeeld, door Coumans zelf aangehaald. Eén op de tien gezinnen heeft zonnepanelen op het dak liggen. Wie voldoende panelen heeft, kan zijn stroomfactuur sterk beperken. Dat betekent dat de consumptie van een van de meest inflatiegevoelige producten deels wegvalt. De inflatie in één jaar voor elektriciteit bedroeg in mei maar liefst 54,4 procent. Toch worden ook zonnepaneelbezitters gecompenseerd voor de stijgende elektriciteitsprijs. Elektriciteit maakt deel uit van de gezondheidsindex, waarop de stijging van de lonen en uitkeringen is gebaseerd.
Wat voor zonnepaneelbezitters geldt, gaat in omgekeerde richting op voor autobestuurders. Zij zijn bovengemiddeld blootgesteld aan de sterk in prijs gestegen brandstof. Zeker als ze veel kilometers rijden. Gezinnen die zich uitsluitend met de fiets of de trein verplaatsen – ruim een kwart van het totaal – zullen juist een lagere persoonlijke inflatie hebben. Idem voor de ruim 600.000 huishoudens met een bedrijfswagen, die op kosten van de baas tanken. Berekeningen wezen uit dat de tankkaart nu honderden euro’s meer waard is dan een jaar geleden. Motorbrandstoffen zijn, in tegenstelling tot elektriciteit, niet in de gezondheidsindex opgenomen. Veelrijders zonder tankkaart worden dus niet via hun loon gecompenseerd voor de gestegen brandstofkosten. Ze draaien er zelf voor op.
Zo zijn er tal van factoren die bepalen in hoeverre de individuele gezinsinflatie afwijkt van het gemiddelde. Van geen enkel product is de prijs zo snel gestegen als van gas. Dus wie veel gas verstookt, ziet zijn levensduurte meer stijgen dan wie een stookolieketel, een warmtepomp of een houtkachel heeft. Een andere belangrijke factor is huisvesting. Gezinnen die huren – zo’n 30 procent van het totaal – zien hun huisvestingskosten meestijgen met de levensduurte. Vaak gaat het om een aanzienlijke uitgave. Gemiddeld besteedt een huurder meer dan 600 euro aan huur. Maar voor de 70 procent die eigenaar is, gaan de huisvestingskosten helemaal niet omhoog. De afbetaling van een hypotheek gebeurt in maandelijkse schijven waarvan de hoogte langdurig vastligt. Deze mensen hebben voordeel van een hoge inflatie. Hun loon stijgt gestaag, zodat hun huisvestingskosten een steeds kleinere hap uit het gezinsbudget nemen. Naargelang de inflatie hoger is, houden ze dus meer geld over.
Ook het gezinsinkomen heeft invloed op de persoonlijke inflatie. De reden daarvoor is eenvoudig. Wie moeite heeft om rond te komen, geeft al zijn geld uit. De volledige consumptie staat dus bloot aan inflatie. Lage-inkomensgroepen besteden bovendien relatief meer geld aan energie. Wie weinig verdient, zou daardoor maar de helft van de extra energie-uitgaven gecompenseerd zien in de vorm van een hoger loon of een hogere uitkering. Wie maandelijks geld overhoudt, consumeert daarentegen maar een deel van het inkomen. Maar via de index wordt wel het volledige loon gecompenseerd. Om het nog wat complexer te maken: nijvere spaarders zien wel de koopkracht van hun spaargeld of beleggingsportefeuille gestaag afnemen door de woekerende inflatie.
Zelfversterkend effect
Veel inflatiedempende factoren – bedrijfswagen, zonnepanelen, hypotheek – zijn vooral weggelegd voor de hogere inkomensgroepen. Zo ontstaat een zelfversterkend effect. Gezinnen met een laag inkomen, die hun slecht geïsoleerde huurhuis met een gasketel verwarmen en met een diesel slurpende wagen naar het werk rijden, zullen de levensduurte bovengemiddeld snel zien stijgen. Hun persoonlijke inflatie kan tot 12 procent oplopen, blijkt uit berekeningen door de redactie. Goed verdienende gezinnen, met een warmtepomp, zonnepanelen, een bedrijfs-Tesla en een hypotheek, zullen de inflatie veel minder voelen. Voor hen kan de inflatie in extreme gevallen beperkt blijven tot zo’n 5 procent. Maar in beide gevallen gaat het loon in dezelfde mate omhoog. Zo heeft inflatie een omgekeerd herverdelend effect, en doet ze de ongelijkheid toenemen.
De regering heeft maatregelen getroffen om daar iets aan te doen, zoals de uitbreiding van het sociale tarief voor energie. Die maatregel werkt goed, wees onderzoek van de KU Leuven uit: het extra koopkrachtverlies voor de laagste inkomens wordt erdoor gecompenseerd. Maar de maatregel beperkt zich tot de energiekosten. Ze doet niets aan het verschil tussen huurders en kopers, of tussen wie wel of niet over een bedrijfswagen beschikt.
|
|