PAJOT |
20 maart 2005 22:53 |
Zit het dan toch in hun genen ?
Onderstaande tekst is een uittreksel uit het reisverhaal van een Franse militair in Marokko, waarin hij op sappige wijze de plaatselijke gewoonten belicht.
Le vol est leur principale industrie. Ils se rassemblent en bandes, �* cheval, armés, et font des excursions au del�* du Sébou et sur les territoires voisins, volant autante qu'ils peuvent emporter ou traîner (...) Ils volent sous forme d'impôts forcés. Les individus dépouillés, au lieu de perdre leur temps en recherches et en recours, recouvrent leurs biens en payant une somme convenue au chef des bandits. Pour les jeunes garçons, spécialement, il est admis comme la chose la plus naturelle qu'ils doivent tout dérober. S'ils attrapent une balle dans le dos, ou se font casser la tête d'un coup de pierre, tant pis pour eux. Ils savent bien que personne ne se laisse volontiers dépouiller, et puis il n'y a pas de roses sans épines. Les pères le disent naïvement : un fils de huit ans rend peu, un de douze ans plus, un de seize beaucoup. Chaque voleur �* son genre spécial ; il y a le voleur de bestiaux, le voleur de chevaux, le voleur de marchandises, le voleur de douar, le voleur de grande route. Sur les routes ils attaquent de préférence les juifs, auxquels il est interdit de porter des armes ; mais le vol le plus commun est celui commis au préjudice des douars. En cela ce sont des artistes incomparables. On les trouve dans tout le Maroc.
[size=1]Le Maroc, uit : Le Tour du Monde Tome I, 1879[/size]
Diefstal is hun hoofdvak. Ze verenigen zich in benden te paard, goed gewapend, en doen strooptochten aan de overzijde van de Seboe en in de omliggende streken. Ze roven daarbij wat ze maar kunnen dragen of meeslepen (...) Ze beschouwen hun roverij als een soort van gedwongen belasting. En de beroofden, in plaats van hun tijd te verkwisten in nasporing en klachten, kopen hun goed voor een bepaalde som van de bendeleider terug. Voor de jongens vooral, beschouwt men het als een zaak die van zelf spreekt, dat ze allen moeten kunnen stelen. Als ze een kogel in de rug oplopen of een steen hun 't hoofd verbrijzelt, dan hebben ze niets te zeggen. Ze weten dat niemand zich gaarne laat beroven, en er zijn immers geen rozen zonder doornen. De vaders zeggen zonder blikken of blozen : een zoon van acht jaar brengt weinig op, een van twaalf jaar, vrij wat, een van zestien is al een kapitaaltje. Elke dief heeft zijn eigen rubriek : er zijn korendieven, koeiendieven, paardendieven, marktdieven, dorpdieven en straatdieven. De straatdieven vallen bij voorkeur de Joden aan, die geen wapens mogen dragen ; maar de meest algemene soort zijn de dorpdieven, die hun kunsten uitoefenen op de douars. Daarin zijn zij onovertroffen meesters. Men vindt ze overal in Marokko.
Zoals ge ziet : er is nog niets veranderd. Schrap of verander hier en daar een woord, en ge hebt een goede beschrijving van de Marokkaanse gemeenschap in België.
Zoals ze toen Joden en Arabieren beroofden, zo gaan ze nu op strooptocht in de straten van Antwerpen, Mechelen, ....
Zou het dan toch in hun bloed zitten ?
|