Karma |
13 januari 2006 10:19 |
Een beetje achtergroentinformatie
1. NATUURLIJK BROEIKASEFFECT
Als de broeikasgassen in de atmosfeer afwezig zouden zijn, dan zou de temperatuur aan het aardoppervlak gemiddeld -18 °C bedragen (nu: +15 °C). Van dit temperatuurverschil van 33 °C komt 62% voor rekening van waterdamp, 22% van kooldioxide (CO2). De overige gassen met broeikaswerking zijn lachgas of distikstofoxide (N2O), methaan (CH4), ozon (O3), voorzover dit laatste gas zich bij het aardoppervlak bevindt, en de volledig gehalogeneerde CFK's. In het verleden heeft de concentratie broeikasgassen sterk gefluctueerd. Zo is aangetoond dat het kooldioxidegehalte 1,4 miljard jaar geleden het 10 tot 200-voudige was van het huidige.
2. VERSTERKT BROEIKASEFFECT
Een groot deel van de huidige CO2 in de atmosfeer is ontstaan door de verbranding van fossiele brandstoffen (50 �* 60 %, waarvan 20% door het verkeer) en door de ontbossing van de tropische wouden (ca. 30%). Men neemt aan dat 20 000 jaren geleden het CO2-gehalte 170 delen per miljoen heeft bedragen. Omstreeks 1870 bedroeg het CO2-gehalte in de atmosfeer ca. 280 delen per miljoen; dit was rond 2000 tot ca. 370 gestegen. In de jaren 2050–2100 wordt een toename tot 600 mogelijk geacht.
Hoewel CO2 het belangrijkste broeikasgas is dat door de mens in de atmosfeer wordt gebracht, draagt toch ook de productie van methaan (voorkomend in rottingsgassen uit moerassige streken en rijstvelden) door de geïntensiveerde landbouw voor ca. 10% bij aan het broeikaseffect. De methaanuitstoot stijgt jaarlijks.
Een extra aanwijzing voor een wereldwijde temperatuurstijging vormt de opwarming van de oceanen. Uit een onder auspiciën van de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) uitgevoerde inventarisatie van metingen die sinds 1945 aan oceanen en randzeeën zijn verricht, is gebleken dat de oceanen veel extra warmte vastleggen.
Tussen 1955 en 1995 is de temperatuur van de oceanen en zeeën (gemiddeld en over de gehele aarde gemeten) met 0,06 °C gestegen. Vooral sinds 1975 neemt de opwarming van de oceanen toe. Er bestaan theorieën dat een voortgaande opwarming van het zeewater tot een grote verandering in het patroon van de zeestromingen kan leiden, waardoor een wereldwijde klimaatverandering in gang kan worden gezet.
Op internationaal niveau worden afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, o.a. op de VN-conferentie in 1992 in Rio de Janeiro en de Klimaatconferentie in Kyoto in 1997. Bij de zesde Klimaatconferentie in Den Haag in 2000, trokken de Verenigde Staten zich echter terug. Hun argument was dat het Amerikaanse bosareaal voldoende kooldioxide zou opnemen om te compenseren voor de industriële uitstoot. Steeds meer landen voeren milieuheffingen in.
2.1 Gevolgen wereldwijd
Over de gevolgen van afwijkingen van het natuurlijke evenwicht bestaan uiteenlopende meningen. Sommige onderzoekers verwachten relatief snelle veranderingen. Sommigen wijzen op de mogelijkheid van het stilvallen van (delen van de) thermohaliene circulatie (zie zeestroming), waardoor er drastische veranderingen in de verdeling van warmte over de aarde zouden optreden. Daarnaast zal het ijs rond de noordpool snel wegsmelten.
Andere onderzoekers verwachten meer geleidelijke veranderingen. Ze wijzen op terugkoppelingen, die een snelle opwarming voorkomen. Zo kunnen bomen en planten, bijvoorbeeld de tropische regenwouden, meer kooldioxide uit de atmosfeer opnemen. Ook zal door de opwarming van de oceanen de verdamping toenemen, en daarmee ook de bewolking. Dit vermindert weer de hoeveelheid invallende zonnestraling op het aardoppervlakte.
Veel is echter vooralsnog onzeker. Zo is aangetoond (2004) dat het tropische regenwoud bij de Amazone door het versterkte broeikaseffect verandert: inderdaad groeien de meeste boomsoorten sneller, en volgen de generaties elkaar sneller op. Het regenwoud neemt dus waarschijnlijk meer koolstofdioxide op. Maar tevens blijken de grotere boomsoorten in het wourd steeds steeds meer levensruimte te veroveren op kleinere boomsoorten. Hierdoor kan op den duur de biodiversiteit afnemen, en daarmee ook de vitaliteit van de bossen.
Door een wereldwijde temperatuurstijging zet het water in zeeën, oceanen en meren uit. Delen van de ijsmassa's van Antarctica en Groenland zullen gaan smelten (hoewel aanvankelijk de sneeuwval op de ijsmassa's zal toenemen, waardoor water vastgehouden wordt). Uiteindelijk zal de zeespiegel gaan stijgen (zie zeespiegelstijging) en wordt het klimaat beïnvloed (zie klimaatverandering). De verwachte zeespiegelstijging zal een groter overstromingsgevaar veroorzaken, zodat de dijken moeten worden verhoogd.
De hogere temperatuur zal de luchtcirculatie zodanig veranderen dat woestijnen zich gaan uitbreiden, terwijl in andere gebieden een grotere regenval zal optreden. In Zuid-Europa zal een tekort aan drinkwater kunnen ontstaan. Tevens kan het ecologisch evenwicht veranderen met als gevolg dat bepaalde plaaginsecten (malariamuskiet, sprinkhaan) zich kunnen uitbreiden naar strekenwaar zij voorheen niet voorkwamen.
In sommige gebieden kan door de klimaatverandering de landbouwproductie dalen met tientallen procenten. Aan de andere kant stijgt de productie per plant door de verhoging van het gehalte aan CO2, de bron van koolstof voor de plant. Vastgesteld is wel dat door de uitstoot van ozon de opname van kooldioxide door planten vermindert.
Daarnaast verwachten onderzoekers een verlaging van de zuurgraad van de oceanen met 0,1 tot 0,2 in de komende tweehonderd jaar. Tot nu toe is onbekend wat het effect van de verzuring van de oceaan zou hebben op de flora en fauna in zee.
Volgens schattingen van een internationaal panel van ecologen in het vooraanstaande blad Nature in 2004 zal in de komende vijftig jaar 15 tot 37 procent van alle dieren- en plantensoorten op land uitsterven, als het klimaat op aarde warmer blijft worden. Ze baseerden zich op scenario’s voor klimaatverandering van de Verenigde Naties. Tot 2003 werd het uitsterven van slechts één soort (een gouden pad in Costa Rica) toegeschreven aan de klimaatverandering door het versterkte broeikaseffect.
2.3 Gevolgen voor het weer in Nederland en België
Als de verdeling van de windrichtingen niet verandert, zal de gemiddelde temperatuur in Nederland en België in het jaar 2050 0,5 tot 2 °C hoger zijn dan nu. Volgens het KNMI zal temperatuurverhoging merkbaar zijn in een verandering van het weer. Strenge winters worden zeldzaam, en in de zomer zullen hittegolven zeldzaam blijven. Het algemene weerbeeld blijft wisselvallig.
Jaarlijks zal er 2 tot 5% meer neerslag vallen. De grootste toename wordt 's winters verwacht, maar ook in de zomer kunnen langdurige zware buiten vallen met een tropisch karakter. De neerslagintensiteit van de zomerse buien neemt toe met zo'n 5 tot 20%. Bij deze voorspelling is geen rekening gehouden met eventuele drastische wijzigingen in circulaties, die sommige onderzoekers voorspellen.
Microsoft ® Encarta ® Encyclopedie Winkler Prins © 1993-2004 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden.
|