1844-1850
De kloof tussen beide landsdelen groeide enorm uit elkaar.
Terwijl de industrialisering in Wallonië in snel tempo doorging, maakte Vlaanderen kennis met de keerzijde van de medaille. Zijn rijkdom was gestoeld op de landbouw.
In de winter van 1844-1845 bevroren het koolzaad en het koren op de velden. Alle hoop was gevestigd op de aardappelen. Maar in juli 1845 raasde een schimmelziekte door de aardappelvelden. Meer dan 90 % van de oogst ging verloren.
1846 was een rampjaar. De mensen hadden niks meer. Ze poogden wanhopig in leven te blijven met aardappelschillen, visvellen, darmen en de blaren van de kolen die ze op straat vonden. Benden uitgehongerden zwierven rond op blote vloeten in de kou, bedelend en stelend. Meer dan 20000 minderjarigen werden opgesloten in bedelaarshuizen. In de gevangenis van Gent, plaats voor driehonderd, was overbevolkt met 1000 opeengepakten. Dat waren de gelukkigen. Buiten op de stoep stonder er letterlijk honderden te wachten om binnen te mogen. Daar was tenminste eten.
In 1847 brak tyfus uit.
In 1848 pokken en cholera.
In die periode bedroeg het sterftecijfer bij kinderen 27,7 procent.
De gemiddelde levensverwachting van de Vlaming werd geschat op 31 jaar.
Velen ontvluchtten de armoede en trachtten werk te vinden in de steden of in Wallonië. 500.000 Vlamingen vestigden zich in Noord-Frankrijk. In sommige streken van Frankrijk maakten zij meer dan 50 % van de bevolking uit.
Velen emigreerden overzee. Brazilië, Guatamala, USA, Canada.
Tegen het eind van de eeuw was de haven van Antwerpen eerder een haven van landverhuizers geworden.
Het land bloedde leeg.
Weg uit 'Arm Vlaanderen'.
In de steek gelaten door België en haar fransdolle bestuurders.
Of zoals Charles Rogier het zei : Het Germaanse element in België dient uitgeroeid te worden.
__________________
'Geweld gebruiken is een teken van zwakte.' (eigen citaat)
Laatst gewijzigd door job : 29 januari 2010 om 14:11.
|