Het onderstaande artikel is gebaseerd op de pagina's 102-108 van het boek God heeft gezegd van de Arabist Hans Jansen.
Islam en racisme
Nergens ter wereld zie je zo veel openlijke huidskleur-discriminatie als in het Midden-Oosten. Wat zwarten toegeroepen krijgen door politieagenten, particuliere bewakers, of wie daar verder maar zin in heeft, grenst naar Nederlandse maatsteven aan het ongelofelijke. Er is daar nog veel mooi werk te doen voor de Nederlandse meldpunten voor racisme en discriminatie. Een toerist die geen Arabisch spreekt of verstaat zal dit allemaal niet zo snel merken. Maar wie in het Midden-Oosten woont, regelmatig in gezelschap van bijvoorbeeld Nubiërs verkeert, en die in zijn omgeving gebruikelijke spreektaal wel verstaat, staat regelmatig verstomd. Ook wijlen president Anwar al-Sadat (in 1981 vermoord vanwege zijn vermeende afval van de islam) werd in informele situaties vaak beschimpt. Niet vanwege zijn soms voor zijn onderdanen bevreemdende beleid, maar vanwege zijn huidskleur die - voor Egypte - donkerder was dan gemiddddeld.
Dat is allemaal in flagrante tegenspraak tot de populaire opvatting dat de islam een 'kleurenblinde' godsdienst is. De populaire dwaling over het afwezig zijn van huidskleur-discriminatie in de islamitische delen van de wereld dateert vermoedelijke uit de negentiende eeuw, uit de tijd rond de Amerikaanse burgeroorlog van 1861-1865. Westerse activisten voor een overigens goed doel (de afschaffing van de slavernij) hebben toen een niet op feiten gebaseerde idyllische antiracistische mythe gecreëerd over de kleurenblindheid van de islam. Blanke racisten werd zodoende impliciet gevraagd een voorbeeld te nemen aan deze mythe, die als zoveel mythen in het verafgelegen en niet goed controleerbare Midden-Oosten werd gelokaliseerd (Lewis, 1990). Aan deze antiracistische mythe lagen echter geen feiten aan ten grondslag.
En dan is er ook nog een aan de profeet Mohammed toegeschreven uitspraak die behelst dat onderdanen aan de heerser gehoorzaamheid verschuldigd zijn, zelfs al is deze de lelijkste Ethiopische (dat wil zeggen: zwarte) slaaf. De betekenis van die uitspraak is natuurlijk niet zoals wel gedacht wordt dat ook negers heerser kunnen worden, maar dat zelfs wezens die net zo verachtelijk als een zwarte slaaf gehoorzaamd moeten worden als ze eenmaal de baas zijn. Mohammed zelf bezat slaven, handelde in slaven, en maakte krijgsgevangenen tot slaaf.
De Arabische islamitische slavenhandelaren die hun bedrijf in Afrika uitoefenden, stelden dat de zwarte Afrikanen heidenen waren, en dat het beoorlogen van de heidenen nu eenmaal jihad was. Jihad is verdienstelijk. En in de jihad gemaakte krijgsgevangenen konden nu eenmaal legaal als slaaf verkocht worden. Uiteraard waren er ook tegengeluiden. De Marokkaanse historicus Ahmad ibn Khalid al-Nasiri (1834-1897) betoogt dat de meerderheid - althans een omvangrijke minderheid - van de zwarte Afrikanen inmiddels moslim was, en het derhalve onwettig was hen tot slaaf te maken. Het getuigenis van de slavenhandelaren zelf, dat de koopwaar die zij aanboden uit heidenen bestond, achtte Al-Nasiri weinig betrouwbaar. Maar, als het om heidenen ging, dan zou hij er kennelijk geen bezwaar tegen gehad hebben om hen tot slaaf te maken. Waar het op neerkwam, is dat het gaan vangen van slaven jihad genoemd moest woren. Misschien zou het een goed idee zijn als de slavernij-afschaffings-herdenkers er in één moeite door ook maar vast voor zouden gaan ijveren de jihad in al zijn vormen te verbieden.
Vanuit islamitisch theoretisch oogpunt is er een probleem bij het verbieden van de slavernij. Er is een overbekende islamitische regel dat wie toestaat wat God verboden heeft - bijvoorbeeld het drinken van wijn - daardoor geen moslim meer is, zelfs al zou hij zelf geen wijn drinken. Dat is goed begrijpelijk. Maar het omgekeerde geldt ook: wie verbiedt wat God heeft toegestaan - bijvoorbeeld het eten van rundvlees - treedt daarmee ook buiten de islam. Hij zou immers wel hindoe kunnen wezen. De slavernij is in het islamitisch deel van de wereld dan ook alleen onder westerse druk verboden verklaard, en in sommige islamitische landen is dat - zoals bekend - pas vrij recent gebeurd. Er bestaat gegronde twijfel aan of ook in Zuid-Soedan en omgeving de slavernij wel afgeschaft is, en niemand wil zijn hand in het vuur steken voor de situatie in Somalië en ommelanden, of op het Arabisch schiereiland.
De belijdende leden van de kerk van de politieke correctheid, die hevig jammeren dat Nederland als een van de laatste landen de slavernij heeft afgeschaft, hebben aan alle kanten ongelijk. Nederland schafte de slavernij eerder af dan de Verenigde Staten, en bijna precies een eeuw eerder dan Saoedi-Arabië, een land dat veel moslims tot voorbeeld is. Nederland speelde maar een beperkte rol in het verschepen van slaven. Dat er slaven te verschepen waren, is te danken aan het aanbod van slaven door Arabieren en zwarte Afrikanen die in vereniging handelden om aan de Afrikaanse westkust slaven op de markt te brengen. Als slavenhouders waren de Nederlanders ook al geen succes. Hun slaven - zie de geschiedenis van Suriname - ontsnapten voortdurend, wat elders niet in die mate het geval was. Voor het werk op de plantages in Suriname zijn Nederlanders die in Suriname belangen hadden (dat was lang niet iedereen) daarom maar vrije contractarbeiders in Brits-Indië gaan werven. De nazaten van de zwarte slaven die in Amerika zijn terechtgekomen zijn er beter aan toe dan de nazaten van de slavenverkopers die in Afrika zijn achtergebleven. De geschiedenis kan ironisch zijn.
Het bovenstaande artikel is gebaseerd op de pagina's 102-108 van het boek God heeft gezegd (2003) van Hans Jansen, bijzonder hoogleraar voor 'het hedendaags islamitisch denken' aan de Universiteit van Utrecht. Jansen is tevens sinds 1982 universitair docent Arabisch en Islamkunde in Leiden. Daarvoor was hij o.a. directeur van het Nederlands Instituut in Caïro. Van 1991 tot 1997 was Jansen lid van de Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking, de NAR, het toenmalige adviesorgaan van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking.
|