De crisis van de sociologie
De Nederlandse academische wereld werd kortelings opgeschud door een groot schandaal. Diederik Stapel, een veelgeciteerd sociaal psycholoog, bleek een ordinaire fraudeur die jarenlang cijfers en respondenten bij de vleet verzon. Hij manipuleerde statistieken. Hij loog een werkelijkheid bij elkaar die haar geloofwaardigheid slechts ontleende aan de autoriteit van haar geestelijke vader: de autoriteit van een wetenschapper.
Een belangrijke toetssteen in het sociaal-wetenschappelijk onderzoek is de repliceerbaarheid: wanneer men een onderzoek volgens dezelfde methodologie herhaalt, moeten de resultaten gelijk zijn aan de resultaten van het oorspronkelijke onderzoek (rekening houdend met foutenmarges door steekproefvariaties). In de praktijk wordt een onderzoek echter zelden gerepliceerd. Zo’n replicatie kost immers tijd en geld en er zijn duizend en één andere onderwerpen die nog niét zijn aangesneden. Diederik Stapel kon dus lange tijd op zijn beide oren slapen.
Het is niet duidelijk of Stapel ook ideologische motieven had. Wilde hij ons denken beïnvloeden in een welomschreven politieke richting? Wilde hij ons zaken doen geloven die ons idee van de werkelijkheid zodanig aantasten dat ons hele mens- en maatschappijbeeld gewijzigd wordt? Daar hebben we vooralsnog geen antwoord op. Het lijkt erop dat zijn voornaamste drijfveer aandacht en succes was.
Toch had het perfect gekund. Vooral ter rechterzijde leeft de perceptie dat de sociologie een overwegend ‘linkse’ aangelegenheid is, met alle vertekeningen vandien. Sociologen verdedigen zich graag door te stellen dat ze wel degelijk wetenschap bedrijven. Om die claim geloofwaardig te maken is sociologisch onderzoek steeds meer de klemtoon gaan leggen op kwantitatieve methoden (statistisch onderzoek) en steeds minder op kwalitatief onderzoek (diepte-interviews, tekstanalyse, interpretatieve sociologie). Helaas pindakaas.
Om te beginnen is sociologie nooit waardevrij. Statistieken ontstaan immers niet in een vacuüm. Ze zijn een hulpmiddel om een theorie en de daarmee samenhangende hypothesen te toetsen. Aan elke theorie liggen uitgangspunten en zienswijzen (paradigma’s) ten grondslag die een bepaald mens- en wereldbeeld verraden. Daarbij duiken al sinds het ontstaan van de moderne sociologie twee uitersten op: aan de ene kant heb je sociologen die het individu als een speelbal zien van sociale verschijnselen (Durkheim, Marx, etc.); aan de andere kant zijn er sociologen die hun redeneringen opbouwen vanuit de notie van het rationele individu (Weber, Homans, etc.). Politiek vertalen deze visies zich – grofweg - in ‘links’ en ‘rechts’.
De politieke dimensie komt in verscheidene stadia van sociologisch onderzoek bovendrijven. Wat onderzoekt men? Welke vragen worden gesteld, welke niet? Welke factoren worden als relevant geselecteerd en welke laat men ononderzocht? Hoe formuleert men de vragen die men aan respondenten voorlegt? Hoe interpreteert men de antwoorden? Welk theoretisch kader ligt ten grondslag aan het onderzoek (en welk niet)? Welke resultaten acht men relevant en welke niet?
Een klassiek voorbeeld is de armoedethematiek. Legt men in het onderzoek de nadruk op economische factoren (vgl. Marx’ visie op de economische onderbouw) of ziet men de socio-economische situatie van mensen als een uitdrukking van culturele componenten (een visie die door de inmiddels alombekende Theodore Dalrymple het meest uitgesproken – en meest karikaturaal – wordt uitgedragen). Deze keuzes zijn verre van vrijblijvend. Ze leiden tot bijna volmaakte tegengestelde conclusies, waaraan volmaakte tegengestelde beleidskeuzes kunnen worden gekoppeld.
Niet toevallig was het uitgerekend Anthony Giddens die zowel in de sociologie als in de politiek een “derde weg” vond. Giddens wilde af van de steriele discussie tussen de verschillende sociologische én politieke strekkingen en hoefde daar geen afzonderlijke wegen voor te bewandelen. De “derde weg” die hij Tony Blair wees, was de politieke vertaling van een sociologische visie die de relatie individu/maatschappij niet langer als eenrichtingsverkeer zag en zelfs niet langer als een relatie tussen twee afzonderlijke concepten. Voor Giddens was deze visie de samenvatting én het besluit van een aloud sociologische conflict. Politiek betekende dit: zoeken naar consensus, het einde van de grote politieke conflict, "beyond right and left".
Giddens’ “derde weg” heeft in de politiek Weg 1 en Weg 2 niet verdrongen. Ook in de sociologie is Giddens’ visie op mens en maatschappij geen gemeengoed geworden. Politiek is geen wetenschap, waar men uiteindelijk naar één bevredigend model toegroeit. (Sociale) wetenschap zonder politiek is een illusie. Ergo: één bevredigend model voor de sociale wetenschappen dat alle andere overbodig maakt is een ijdele droom.
Dat inzicht maakt de sociologie lang niet nutteloos. Wel dwingt het sociologen tot een grotere bescheidenheid. Bovendien mag het ook als een oproep worden gelezen om uit de kast te komen. In plaats van het eigen mens- en wereldbeeld te verdoezelen achter ‘harde’ cijfers, lijkt het mij raadzamer kleur te bekennen en inzicht te verwerven in de eigen preconcepties. Pierre Bourdieu ontwikkelde om die reden het concept van de “reflexieve sociologie”: de socioloog is geen steriel figuurtje dat zich op geen enkele wijze verhoudt tot de mensen en de maatschappij die hij onder de loep legt; hij moet zichzelf doorzien om een beter socioloog te worden; hij moet zich oefenen om zijn eigen (ideologische) ‘blinde vlekken’ onder ogen te zien.
Die reflexiviteit zou bevorderd kunnen worden als er binnen de academische beau monde voldoende kritische massa aanwezig is, d.w.z. als er een pluraliteit aan waarden, mens- en wereldbeelden was, waarbij ideologische tegenstanders elkaar attent kunnen maken op elkaars blinde vlekken. In Vlaanderen schiet die pluraliteit mijns inziens te kort. Een meerderheid van de sociologen in Vlaanderen zou ik eerder ter linkerzijde situeren. Individuele blinde vlekken neigen er daarom toe collectieve blinde vlekken te worden, die zichzelf reproduceren. Het collectief functioneert immers als ‘poortwachter’, waarbij het gevaar bestaat dat ‘rechtse’ sociologen bij voorbaat worden weggeselecteerd.
Ik vrees derhalve dat uit het geval-Stapel weinig substantiële conclusies zullen worden getrokken. Het grootste slachtoffer van dat gebrek aan introspectie is de geloofwaardigheid van de sociologie zelf, en bij uitbreiding de humane wetenschappen. De speurtocht naar ‘waarheid’, ook als die zich slechts laat uitdrukken in waarschijnlijkheden in plaats van wetmatigheden, ook als die ideologisch contingent is, kan alleen maar slagen als sociologen de waarheid over zichzelf en hun discipline onder ogen zien.
Den Duisteren Duikboot
|