Los bericht bekijken
Oud 1 augustus 2007, 19:38   #47
Lincoln
Perm. Vertegenwoordiger VN
 
Lincoln's schermafbeelding
 
Geregistreerd: 22 februari 2004
Locatie: Ubi bene ibi patria()Qua Patet Orbis
Berichten: 10.540
Stuur een bericht via MSN naar Lincoln
Standaard

Citaat:
Oorspronkelijk geplaatst door Basy Lys Bekijk bericht
Dank voor de serene reactie. Ik denk dat wij hierdoor een beetje tegengewicht kunnen vormen voor de vele scheldpartijen op dit forum.

Ik begrijp volkomen wat je bedoelt.

Op het gevaar af van de zaken te oversimplificeren, wil ik toch trachten mijn visie op die ganse periode zeer kort te schetsen.

De oorlogen in de 16de en 17de eeuw zie ik zuiver als politiek, waar het geloof in betrokken wordt om politieke redenen, waarbij het begrip "cuius regio, eius religio" belangrijk is zoals onder meer ook blijkt uit de acties van Richelieu tegen de hugenoten die een staat binnen "zijn" staat dreigden te worden. Er weze verwezen naar de edicten van Nantes en van Nîmes.

Vaak wordt in de scholen de Verlichting nog als een alleenstaand fenomeen beschreven. Iets wat in de 18de eeuw plotseling op verschillende plaatsen, al dan niet afzonderlijk van elkaar, ontstond, waarbij misschien met een bepaalde evolutie, ook geografisch rekening gehouden wordt.

Je hebt er terecht op gewezen dat ook voor De Verlichting een voedingsbodem nodig was. Die voedingsbodem is duidelijk het humanisme.

Zelfs het Humanisme, waarvan men geredelijk aanneemt dat het ontstaan is in het Italië van de 13de eeuw is niet in het luchtledige ontstaan maar steunt op de middeleeuwse studie van de klassieken en pogingen om de antieke filosofie in overeenstemming te brengen met het christelijke geloof.

Ook al werd uit de kring van de humanisten dikwijls spottende kritiek geleverd op de misstanden in de RK en de achterlijkheid van vele geestelijken, en ook al bestond er nogal wat achterdocht tegenover die "nieuwe" ideeën, is het nooit tot een eigenlijke breuk gekomen tussen humanisten en de RK. Dit was te danken aan de omstandigheden dat vele humanisten de leer der Kerk ombogen in de richting van een algemene wijsbegeerte en moraal, maar die leer toch niet afbraken, de kerkelijke organisatie niet aantastten en zelfs niet de Kerk verlieten. Bovendien kon de Kerk het humanisme goeddeels accepteren, omdat reeds de scholastiek de natuurlijke kennis beschouwde als onderbouw voor de geloofskennis der geopenbaarde waarheid.

Ook het protestantisme, een rebellie tegen allerlei mistoestanden in de katholieke Kerk, zou niet mogelijk geweest zijn indien de tijdsgeest daar niet rijp voor ware geweest.

De evolutie van het denken in Europa was dus duidelijk niet te stuiten. Na de verlichting kwam de Franse Revolutie. Een even belangrijk moment is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Ik heb dat langere stukje i.v.m. het Humanisme hier ingelast omdat dit aantoont dat er in de islam zich een tegenovergestelde beweging heeft voorgedaan. Ook in de islamwereld waren er tot rond het jaar 1000 (A.D.) "humanisten". Die van een latere periode werden steevast vervolgd; een van de laatste in de lange rij is misschien Abu Zayd, die vanuit Egypte naar Nederland is gevlucht. In de islam hadden de oelema echter het pleit gewonnen na een strijd van enkele eeuwen en deze lieten minder en minder ruimte voor het vrije denken.

Sta me toe van hier een tekst te plaatsen die ik overgetypt heb uit: Henk DRIESSEN (Redactie), In het huis van de islam. Geografie, geschiedenis, geloofsleer, cultuur, economie, politiek, SUN-Kritak, Nijmegen 1997. ISBN 90 6168 606 7. en die de overwinning van de schriftgeleerden helder uiteenzet.
p. 44
Het woord ‘soenna’ betekent ‘weg, manier van doen, gedrag’. Tegenwoordig wordt er vrijwel altijd onder verstaan: ‘het na te volgen gedrag van de Profeet’, maar wat was niet van meet af aan het geval. Aanvankelijk werd er het handelen van de vroegste gemeenschap mee aangeduid. Dat omvatte de soenna van de Profeet, maar ook die van de eerste kaliefen en andere vooraanstaande gezellen, terwijl er bovendien heel wat voor-islamitische gewoontes bleven bestaan. De Umayyadische kaliefen hielden rekening met de bestaande soenna, maar voelden zich daarnaast vrij om hun eigen soenna in te voeren.
...
p. 46
...
Het belangrijkst voor de ontwikkeling van de latere islam was een derde groep, de oelema of schriftgeleerden, ook wel ahl al-hadith genoemd, de ‘mensen van de Traditie van de Profeet’. Zij bestudeerden de Koran en de Tradities waarin de koranuitleg en de soenna van de Profeet waren vervat, en beschouwden zichzelf bij uitstek als de hoeders van het islamitische erfgoed. De ‘Soenna van de Profeet’ begon vanaf ongeveer 720 geleidelijke het eerdere, ruimere en vagere soenna-begrip te overvleugelen. Mèt de soenna van de Profeet werden ook de Tradities steeds belangrijker, en daarmee de oelema. Zowel de Tradities als de oelema zouden de twee volgende eeuwen geweldig in aantal en gezag toenemen.
P. 49
...
Nu echter rigoureus werd afgerekend met al wat Umayyadisch was, viel ook de opvatting van de kalief als wetgever moeilijk te handhaven. Bovendien was er een nieuwe realiteit: de soenna van de Profeet, zoals die werd neergelegd in een nog steeds groeiend aantal Tradities. Wellicht beseften de eerste Abbasidische kaliefen nog niet dat er een tijdbom onder hun absolute macht lag. Omstreeks 800, onder Hârûn al-Rashid, bleken overal in het staatsapparaat oelema te zijn doorgedrongen, en de door de kalief benoemde rechters moesten hen raadplegen. Omdat de oelema geen bestuurders waren, vielen de door hen geformuleerde rechtsregels dikwijls onpraktisch uit. Maar wat kon Gods kalief anders doen dan zich houden aan Gods Wet? Toen de rechtsgeleerde al-Shâfi’i (757-820) het recht had gehomogeniseerd en gestroomlijnd en hij de soenna van de Profeet tot tweede rechtsbron naast de Koran had verklaard, leek de wetgevende macht de kalief uit de vingers te glippen.
Dat de oelema zich het monopolie op de islam toeeigenden werd echter niet zonder slag of stoot aanvaard. In de letterkunde van die tijd vinden we iets terug van het verzet dat onder het volk bestond tegen het oprukken van de sharia. Het werk van de grote drinker, knapenminnaar en dichter Abû Nuwâs (ca. 750-815) laat zien dat hij niet alleen uit lust, maar ook met een zekere moedwil alles deed wat God verboden had. De dichter lijkt de schriftgeleerden nog eenmaal te willen tarten voordat de val van de Wet onherroepelijk toeklapt. Ook de kaliefen probeerden nog enige tijd tegenkrachten te mobiliseren. Al-Ma’mûn (813-833) wilde het kalifaat zelfs redden door een sjiietische imam als zijn opvoler te benoemen, wel wetend dat de sjiieten voorzagen in ouderwetse alleenheerschappij. Bovendien wierp hij zich, evenals andere kaliefen, in de armen van de concurrenten van de opkomende soennieten: de mutazilieten. Deze school van theologen heeft van 818 tot 848 de dienst uitgemaakt aan het hof. Zij verwierpen de voorbeschikking door God en legden de nadruk op de menselijke verantwoordelijkheid. In hun ogen kon de mens het verschil tussen goed en kwaad kennen buiten de openbaring om; de openbaring bevestigt op dit gebied slechts wat het verstand ons leert en vult de details in. Ook sluisden zij Grieks filosofisch gedachtegoed de islam binnen. Voor de kaliefen waren de mutazilieten misschien vooral van belang omdat zij weinig gezag toekenden aan de Traditie, omdat zij de Koran als enige basis voor het recht beschouwden en zich in hun interpretatie van die Koran niet gebonden achtten aan de Traditie en het werk der oelema. In een dergelijke rechtsopvatting bleef er meer ruimte voor eigenmachtige wetgeving door de kalief.
Een tijd lang zijn Traditiegeleerden zelfs vervolgd. Een beroemd slachtoffer is Ahmad ibn-Hanbal, de samensteller van een grote verzameling Tradities; dat hij in ketenen werd geslagen en gegeseld wed heeft zijn prestige echter alleen maar vergroot. Toen de vervolging van de Traditiegeleerden voorbij was verdwenen de mutazilieten naar de achtergrond en bleken de oelema voorgoed te hebben gezegevierd. Zij beheerden voortaan exclusief het erfgoed van de gewijde teksten en werkten de islam in zijn klassieke vorm verder uit. De kaliefen speelden geen rol meer bij het vaststellen van wat islam en wat de sharia was.
Vanaf 850 kan men spreken van ‘soennitische islam’. De Wetgever is God, en Zijn geboden worden voortaan niet meer geïnterpreteerd en aangevuld door een welhaast goddelijke kalief, maar door de kaste der oelema, die daartoe de soenna van de Profeet hanteren. Een eeuw later was het islamitisch recht verder uitgewerkt. Voortaan moest er een precair evenwicht gehandhaafd worden tussen de wereldse machthebber, die zich voegde om opstanden te voorkomen, en de oelema, die het praktisch haalbare niet uit het oog verloren en bovendien goed beseften dat hun existentie van wereldlijke machthebbers afhankelijk was.
(Een goed overzicht van het het denken in de islamitische wereld vindt men bij Michiel LEEZENBERG, Islamitische filosofie. Een Geschiedenis, Amsterdam 2001, ISBN 90-5460-046-2)
Ik begrijp niet wat je punt basy, kunt je dat eens even aanhalen ??
__________________
"Moslim freedom, Now !!!"
"Free people around the ka3ba for a free faith around the world !"
Lincoln is offline   Met citaat antwoorden