Citaat:
Oorspronkelijk geplaatst door cato
|
Om u een plezier te doen, bladerde ik nog eens vlug door het boek Van der Wal door (
De geschiedenis van het Nederlands). In feite geeft zij het antwoord op onze lange discussie. En dit op blz. 207. Zij laat twee teksten afdrukken. Eén in het Brabants van toen, en één in het Hollands van toen. Het is dezelfde tekst. Ik geef u hieronder de beide teksten.
Brabants.
Berger, bers, weurdt
Da shert men.
Dacht/ge zaijt, dacht gaaij
Hauch gaij, dacht go t
E goeh gat, daf folck
Niech gedo n. dich gô nô
Goch gai niech gaere
Goech getaij, nieflies
Waf feur oe was salf
Dach geluck wach gedeckt
Dach geldt ou. Dacheme
Nie gedreve. Dis scheurke
Heech gieen noot. Wach gebrack.
Waf vorietaits. Hedde daf vernome
Waffis.
Waf verschuijve. Dippotteken.
Heddene man? Moe geven.
W addenen bôij! Nie saijn.
M etta.
(…)
Hollands
Borger, borst. Wordt..
Dat schort mij.
Dat ghij zijt. Dat ghij.
Houdt ghij, dat gaet
Een goed gat, dat Volck.
Niet gedaen. Dit gaet nae.
Goed getij. Niet vies
Wat voor u. Wat salf.
Dat geluck. Wat gedeckt.
Dat geldt u. Dat geldt mij.
Niet gedreven. Dit scheurken.
Heeft geen noot. Wat gebrack.
Wat varieteits.
Heb ghij dat vernomen?
Wat visch.
Wat vershuiijuen. Dit potteken.
Hebt ghij enen man? Moet geuen.
Wat enen baeij! Niet zijn.
Met dat.
(…)
Mijn vraag aan u is een hele simpele. Op welk soort Nederlands lijkt ons hedendaags Nederlands het meest? Op het Hollands van toen of op het Brabants van toen?
Zonder op uw antwoord te willen anticiperen, denk ik toch dat het antwoord nu al glashelder is.