Politics.be Registreren kan je hier.
Problemen met registreren of reageren op de berichten?
Een verloren wachtwoord?
Gelieve een mail te zenden naar [email protected] met vermelding van je gebruikersnaam.

Ga terug   Politics.be > Themafora > Godsdienst en levensovertuiging
Registreer FAQForumreglement Ledenlijst Markeer forums als gelezen

Godsdienst en levensovertuiging In dit forum kan je discussiëren over diverse godsdiensten en levensovertuigingen.

Antwoord
 
Discussietools
Oud 22 september 2005, 11:35   #1
Reltssum
Vreemdeling
 
Reltssum's schermafbeelding
 
Geregistreerd: 13 juni 2004
Berichten: 37
Standaard Het Marxisme heeft gefaald

Marx dacht dat de dialectiek ongeveer als volgt beïnvloedde: Om überhaupt te kunnen overleven, moeten mensen bestaansmiddelen verwerven; ze moeten over die middelen beschikken om zichzelf te voeden, te kleden, onderdak te geven en in hun andere basisbehoeften te voorzien. Het is absoluut noodzakelijk om deze middelen te produceren. Maar zodra de productiemiddelen zich voorbij het allerprimitiefste stadium hebben ontwikkeld, gaan mensen zich specialiseren, omdat ze daar baat bij hebben. En zo worden ze afhankelijk van elkaar. Het produceren van de bestaansmiddelen is niet langer een individuele, maar voortaan een sociale activiteit. Binnen deze wederzijdse afhankelijkheid, die uiteraard de samenstelling zelf is, wordt het individu gekarakteriseerd door zijn verhouding tot de productiemiddelen; de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet, bepaalt in essentie zijn manier van leven en ook zijn bijdrage aan de samenleving als geheel. Ze bepaalt wie dezelfde belangen als hij heeft bij de verdeling van het maatschappelijk product en wie tegengestelde belangen. Zo ontstaan sociaal-economische klassen en de strijd tussen de klassen. De productiemiddelen zijn echter onderhevig aan een permanent veranderingsproces. Dus de wijze waarop mensen zich tot hen en tot elkaar verhouden, moet steeds veranderen. Bij elke belangrijke wijziging in de productiemiddelen verandert de samenstelling van de sociale klassen en dus ook de aard van de klassenstrijd. Volgens Marx verloopt dit proces op alle niveaus dialectisch. Op het oudste niveau wordt alle sociale verandering fundamenteel bepaald door de ontwikkeling der productiemiddelen. Deze ontwikkeling bepaalt dan weer de ontwikkeling van de sociale klassen en de klassenstrijd. En helemaal bovenaan komt ten slotte de ‘bovenbouw’: maatschappelijke en politieke tegenstellingen, religies, filosofieën, de kunsten, ideeën; al die dingen, zegt hij, worden uiteindelijk bepaald door de economische onderbouw.

Marx zag de geïndustrialiseerde kapitalistische maatschappij van zijn tijd als het één na laatste historische ontwikkelingsstadium voor de komst van de conflictloze maatschappij. Hij dacht dat de meedogenloze ontwikkeling der moderne technologie meer en meer mensen werkloos zou maken, zodat de massa steeds groter en steeds armer zou worden en de productiemiddelen door steeds minder mensen beheerst zouden worden. Hierdoor zou de maatschappij in twee klassen uiteenvallen: de kapitalisten en de arbeiders. De tegenstelling tussen hen zou steeds scherper worden, totdat de arbeiders, met hun enorme getalsmatige overwicht, tegen de kapitalisten zouden opstaan en hen zouden omverwerpen, om zich de productiemiddelen toe te eigenen. Deze revolutie zou, in dubbele zin, het eind van de geschiedenis betekenen, want het was de climax waar alle gebeurtenissen op uitliepen en die alle dialectische verandering zou besluiten. Van opdeling van de maatschappij in klassen zou geen sprake meer zijn. De productiemiddelen zouden van iedereen zijn en in aller belang worden gebruikt. De maatschappij zou klassenloos en conflictloos zijn. Het zou niet meer nodig zijn om mensen te regeren, maar alleen om zaken te beheren. De mensen, niet langer door onbeheersbare historische krachten, of door regeerders, meegesleurd, zouden vrijelijk tot zelfverwezenlijking kunnen komen.

Maar de toekomst die direct volgde op de tijd dat Marx schreef, ontwikkelde zich volstrekt niet in de richting die hij had voorspeld. Dat was deels te wijten aan het feit dat hij de aard van zijn theorie niet goed inschatte. Hij geloofde dat het een wetenschappelijke theorie was, net als de newtoniaanse fysica. Als we de juiste informatie hebben over de huidige toestand van bewegende objecten, kunnen we met behulp van de wetten van Newton precies voorspellen wat die zullen gaan doen. Marx geloofde dat hij de economische bewegingswetten van de maatschappij had ontdekt. Dat zegt hij in het voorwoord van Das Kapital. Hij denkt dat hij de ontwikkeling van de maatschappij met behulp van deze kennis exact kan voorspellen. Het was enorm belangrijk voor hem dat het marxisme als ‘wetenschappelijk’ werd gezien; hij noemde zijn vorm van socialisme dan ook ‘wetenschappelijk socialisme’ en minachtte andere vormen. Volgens hem waren die gebaseerd op louter utopische verzinsels, of op morele impulsen, of op wensdromen; terwijl hij wetenschappelijke studie van de maatschappij had gemaakt, ontdekt had welke krachten en wetten daarin werkzaam waren en zijn politieke leer op deze feiten had gegrondvest.

Het idee dat het marxisme wetenschappelijk was, verklaart voor een groot deel waarom het tot laat in de 20ste eeuw populair bleef. Marxisten zagen hun overtuigingen gewoonlijk niet slechts als persoonlijke opvattingen, maar als absoluut zekere wetenschappelijke kennis. Dit gaf hun enorm veel zelfvertrouwen en maakte hen zeer onverdraagzaam jegens andersdenkenden; zodra ze aan de macht kwamen, verboden ze de publicatie of het leren van afwijkende ideeën. Het marxisme dankte zijn populariteit ook aan het feit dat het de toekomst van de maatschappij met wetenschappelijke precisie pretendeerde te kunnen voorspellen; het socialisme werd daarmee ‘onvermijdelijk’ en de socialisten hadden als het ware de toekomst aan hun kant.

Doordat Marx benadrukte dat zijn ideeën ‘wetenschappelijk’ waren, stelde hij ze bloot aan weerlegging door de feiten, waaraan alle echt wetenschappelijke ideeën bloot moeten staan. En aan het eind van de 19de eeuw werd duidelijk dat de feiten niet met Marx’ theorieën overeenstemden. Nergens in de wereld bestond een maatschappij waar de ontwikkelingen gehoorzaamden aan zijn ‘wetenschappelijke wetten der historische ontwikkeling’. Dit gaf aanleiding tot het ‘revisionisme’.

Verschillende marxistische denkers trachtten Marx’ theorieën te laten overeenstemmen met de feiten en de feiten met Marx’ theorieën. Zo ontstond een veelheid van marxistische scholen die het, soms heftig, met elkaar oneens waren. De meeste daarvan verdwenen, doordat er, wanneer marxistische bewegingen aan de macht kwamen, steevast een bureaucratische dictatuur ontstond, een maatschappij die niet de minste gelijkenis vertoonde met de samenleving die naar zijn opvattingen onvermijdelijk was. Ook mislukten de economieën van zulke maatschappijen zonder uitzondering, zodat ze verarmden. Een marxistisch bewind leverde de mensen zowel armoede op als tirannie. Op de lange duur kwamen daarom de meeste mensen tot de conclusie dat er iets aan de marxistische theorie mankeerde.[edit]
[size=1]Edit:[/size]
[size=1]After edit by Reltssum on 22-09-2005 at 12:39
Reason:
--------------------------------

Marx dacht dat de dialectiek ongeveer als volgt beïnvloedde: Om überhaupt te kunnen overleven, moeten mensen bestaansmiddelen verwerven; ze moeten over die middelen beschikken om zichzelf te voeden, te kleden, onderdak te geven en in hun andere basisbehoeften te voorzien. Het is absoluut noodzakelijk om deze middelen te produceren. Maar zodra de productiemiddelen zich voorbij het allerprimitiefste stadium hebben ontwikkeld, gaan mensen zich specialiseren, omdat ze daar baat bij hebben. En zo worden ze afhankelijk van elkaar. Het produceren van de bestaansmiddelen is niet langer een individuele, maar voortaan een sociale activiteit. Binnen deze wederzijdse afhankelijkheid, die uiteraard de samenstelling zelf is, wordt het individu gekarakteriseerd door zijn verhouding tot de productiemiddelen; de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet, bepaalt in essentie zijn manier van leven en ook zijn bijdrage aan de samenleving als geheel. Ze bepaalt wie dezelfde belangen als hij heeft bij de verdeling van het maatschappelijk product en wie tegengestelde belangen. Zo ontstaan sociaal-economische klassen en de strijd tussen de klassen. De productiemiddelen zijn echter onderhevig aan een permanent veranderingsproces. Dus de wijze waarop mensen zich tot hen en tot elkaar verhouden, moet steeds veranderen. Bij elke belangrijke wijziging in de productiemiddelen verandert de samenstelling van de sociale klassen en dus ook de aard van de klassenstrijd. Volgens Marx verloopt dit proces op alle niveaus dialectisch. Op het oudste niveau wordt alle sociale verandering fundamenteel bepaald door de ontwikkeling der productiemiddelen. Deze ontwikkeling bepaalt dan weer de ontwikkeling van de sociale klassen en de klassenstrijd. En helemaal bovenaan komt ten slotte de ‘bovenbouw’: maatschappelijke en politieke tegenstellingen, religies, filosofieën, de kunsten, ideeën; al die dingen, zegt hij, worden uiteindelijk bepaald door de economische onderbouw.

Marx zag de geïndustrialiseerde kapitalistische maatschappij van zijn tijd als het één na laatste historische ontwikkelingsstadium voor de komst van de conflictloze maatschappij. Hij dacht dat de meedogenloze ontwikkeling der moderne technologie meer en meer mensen werkloos zou maken, zodat de massa steeds groter en steeds armer zou worden en de productiemiddelen door steeds minder mensen beheerst zouden worden. Hierdoor zou de maatschappij in twee klassen uiteenvallen: de kapitalisten en de arbeiders. De tegenstelling tussen hen zou steeds scherper worden, totdat de arbeiders, met hun enorme getalsmatige overwicht, tegen de kapitalisten zouden opstaan en hen zouden omverwerpen, om zich de productiemiddelen toe te eigenen. Deze revolutie zou, in dubbele zin, het eind van de geschiedenis betekenen, want het was de climax waar alle gebeurtenissen op uitliepen en die alle dialectische verandering zou besluiten. Van opdeling van de maatschappij in klassen zou geen sprake meer zijn. De productiemiddelen zouden van iedereen zijn en in aller belang worden gebruikt. De maatschappij zou klassenloos en conflictloos zijn. Het zou niet meer nodig zijn om mensen te regeren, maar alleen om zaken te beheren. De mensen, niet langer door onbeheersbare historische krachten, of door regeerders, meegesleurd, zouden vrijelijk tot zelfverwezenlijking kunnen komen.

Maar de toekomst die direct volgde op de tijd dat Marx schreef, ontwikkelde zich volstrekt niet in de richting die hij had voorspeld. Dat was deels te wijten aan het feit dat hij de aard van zijn theorie niet goed inschatte. Hij geloofde dat het een wetenschappelijke theorie was, net als de newtoniaanse fysica. Als we de juiste informatie hebben over de huidige toestand van bewegende objecten, kunnen we met behulp van de wetten van Newton precies voorspellen wat die zullen gaan doen. Marx geloofde dat hij de economische bewegingswetten van de maatschappij had ontdekt. Dat zegt hij in het voorwoord van Das Kapital. Hij denkt dat hij de ontwikkeling van de maatschappij met behulp van deze kennis exact kan voorspellen. Het was enorm belangrijk voor hem dat het marxisme als ‘wetenschappelijk’ werd gezien; hij noemde zijn vorm van socialisme dan ook ‘wetenschappelijk socialisme’ en minachtte andere vormen. Volgens hem waren die gebaseerd op louter utopische verzinsels, of op morele impulsen, of op wensdromen; terwijl hij wetenschappelijke studie van de maatschappij had gemaakt, ontdekt had welke krachten en wetten daarin werkzaam waren en zijn politieke leer op deze feiten had gegrondvest.

Het idee dat het marxisme wetenschappelijk was, verklaart voor een groot deel waarom het tot laat in de 20ste eeuw populair bleef. Marxisten zagen hun overtuigingen gewoonlijk niet slechts als persoonlijke opvattingen, maar als absoluut zekere wetenschappelijke kennis. Dit gaf hun enorm veel zelfvertrouwen en maakte hen zeer onverdraagzaam jegens andersdenkenden; zodra ze aan de macht kwamen, verboden ze de publicatie of het leren van afwijkende ideeën. Het marxisme dankte zijn populariteit ook aan het feit dat het de toekomst van de maatschappij met wetenschappelijke precisie pretendeerde te kunnen voorspellen; het socialisme werd daarmee ‘onvermijdelijk’ en de socialisten hadden als het ware de toekomst aan hun kant.

Doordat Marx benadrukte dat zijn ideeën ‘wetenschappelijk’ waren, stelde hij ze bloot aan weerlegging door de feiten, waaraan alle echt wetenschappelijke ideeën bloot moeten staan. En aan het eind van de 19de eeuw werd duidelijk dat de feiten niet met Marx’ theorieën overeenstemden. Nergens in de wereld bestond een maatschappij waar de ontwikkelingen gehoorzaamden aan zijn ‘wetenschappelijke wetten der historische ontwikkeling’. Dit gaf aanleiding tot het ‘revisionisme’.

Verschillende marxistische denkers trachtten Marx’ theorieën te laten overeenstemmen met de feiten en de feiten met Marx’ theorieën. Zo ontstond een veelheid van marxistische scholen die het, soms heftig, met elkaar oneens waren. De meeste daarvan verdwenen, doordat er, wanneer marxistische bewegingen aan de macht kwamen, steevast een bureaucratische dictatuur ontstond, een maatschappij die niet de minste gelijkenis vertoonde met de samenleving die naar zijn opvattingen onvermijdelijk was. Ook mislukten de economieën van zulke maatschappijen zonder uitzondering, zodat ze verarmden. Een marxistisch bewind leverde de mensen zowel armoede op als tirannie. Op de lange duur kwamen daarom de meeste mensen tot de conclusie dat er iets aan de marxistische theorie mankeerde.[/size]

[size=1]Edit:[/size]
[size=1]After edit by Reltssum on 22-09-2005 at 12:38
Reason:
--------------------------------

Marx dacht dat de dialectiek ongeveer als volgt beïnvloedde: Om überhaupt te kunnen overleven, moeten mensen bestaansmiddelen verwerven; ze moeten over die middelen beschikken om zichzelf te voeden, te kleden, onderdak te geven en in hun andere basisbehoeften te voorzien. Het is absoluut noodzakelijk om deze middelen te produceren. Maar zodra de productiemiddelen zich voorbij het allerprimitiefste stadium hebben ontwikkeld, gaan mensen zich specialiseren, omdat ze daar baat bij hebben. En zo worden ze afhankelijk van elkaar. Het produceren van de bestaansmiddelen is niet langer een individuele, maar voortaan een sociale activiteit. Binnen deze wederzijdse afhankelijkheid, die uiteraard de samenstelling zelf is, wordt het individu gekarakteriseerd door zijn verhouding tot de productiemiddelen; de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet, bepaalt in essentie zijn manier van leven en ook zijn bijdrage aan de samenleving als geheel. Ze bepaalt wie dezelfde belangen als hij heeft bij de verdeling van het maatschappelijk product en wie tegengestelde belangen. Zo ontstaan sociaal-economische klassen en de strijd tussen de klassen. De productiemiddelen zijn echter onderhevig aan een permanent veranderingsproces. Dus de wijze waarop mensen zich tot hen en tot elkaar verhouden, moet steeds veranderen. Bij elke belangrijke wijziging in de productiemiddelen verandert de samenstelling van de sociale klassen en dus ook de aard van de klassenstrijd. Volgens Marx verloopt dit proces op alle niveaus dialectisch. Op het oudste niveau wordt alle sociale verandering fundamenteel bepaald door de ontwikkeling der productiemiddelen. Deze ontwikkeling bepaalt dan weer de ontwikkeling van de sociale klassen en de klassenstrijd. En helemaal bovenaan komt ten slotte de ‘bovenbouw’: maatschappelijke en politieke tegenstellingen, religies, filosofieën, de kunsten, ideeën; al die dingen, zegt hij, worden uiteindelijk bepaald door de economische onderbouw.

Marx zag de geïndustrialiseerde kapitalistische maatschappij van zijn tijd als het één na laatste historische ontwikkelingsstadium voor de komst van de conflictloze maatschappij. Hij dacht dat de meedogenloze ontwikkeling der moderne technologie meer en meer mensen werkloos zou maken, zodat de massa steeds groter en steeds armer zou worden en de productiemiddelen door steeds minder mensen beheerst zouden worden. Hierdoor zou de maatschappij in twee klassen uiteenvallen: de kapitalisten en de arbeiders. De tegenstelling tussen hen zou steeds scherper worden, totdat de arbeiders, met hun enorme getalsmatige overwicht, tegen de kapitalisten zouden opstaan en hen zouden omverwerpen, om zich de productiemiddelen toe te eigenen. Deze revolutie zou, in dubbele zin, het eind van de geschiedenis betekenen, want het was de climax waar alle gebeurtenissen op uitliepen en die alle dialectische verandering zou besluiten. Van opdeling van de maatschappij in klassen zou geen sprake meer zijn. De productiemiddelen zouden van iedereen zijn en in aller belang worden gebruikt. De maatschappij zou klassenloos en conflictloos zijn. Het zou niet meer nodig zijn om mensen te regeren, maar alleen om zaken te beheren. De mensen, niet langer door onbeheersbare historische krachten, of door regeerders, meegesleurd, zouden vrijelijk tot zelfverwezenlijking kunnen komen.

Maar de toekomst die direct volgde op de tijd dat Marx schreef, ontwikkelde zich volstrekt niet in de richting die hij had voorspeld. Dat was deels te wijten aan het feit dat hij de aard van zijn theorie niet goed inschatte. Hij geloofde dat het een wetenschappelijke theorie was, net als de newtoniaanse fysica. Als we de juiste informatie hebben over de huidige toestand van bewegende objecten, kunnen we met behulp van de wetten van Newton precies voorspellen wat die zullen gaan doen. Marx geloofde dat hij de economische bewegingswetten van de maatschappij had ontdekt. Dat zegt hij in het voorwoord van Das Kapital. Hij denkt dat hij de ontwikkeling van de maatschappij met behulp van deze kennis exact kan voorspellen. Het was enorm belangrijk voor hem dat het marxisme als ‘wetenschappelijk’ werd gezien; hij noemde zijn vorm van socialisme dan ook ‘wetenschappelijk socialisme’ en minachtte andere vormen. Volgens hem waren die gebaseerd op louter utopische verzinsels, of op morele impulsen, of op wensdromen; terwijl hij wetenschappelijke studie van de maatschappij had gemaakt, ontdekt had welke krachten en wetten daarin werkzaam waren en zijn politieke leer op deze feiten had gegrondvest.

Het idee dat het marxisme wetenschappelijk was, verklaart voor een groot deel waarom het tot laat in de 20ste eeuw populair bleef. Marxisten zagen hun overtuigingen gewoonlijk niet slechts als persoonlijke opvattingen, maar als absoluut zekere wetenschappelijke kennis. Dit gaf hun enorm veel zelfvertrouwen en maakte hen zeer onverdraagzaam jegens andersdenkenden; zodra ze aan de macht kwamen, verboden ze de publicatie of het leren van afwijkende ideeën. Het marxisme dankte zijn populariteit ook aan het feit dat het de toekomst van de maatschappij met wetenschappelijke precisie pretendeerde te kunnen voorspellen; het socialisme werd daarmee ‘onvermijdelijk’ en de socialisten hadden als het ware de toekomst aan hun kant.

Doordat Marx benadrukte dat zijn ideeën ‘wetenschappelijk’ waren, stelde hij ze bloot aan weerlegging door de feiten, waaraan alle echt wetenschappelijke ideeën bloot moeten staan. En aan het eind van de 19de eeuw werd duidelijk dat de feiten niet met Marx’ theorieën overeenstemden. Nergens in de wereld bestond een maatschappij waar de ontwikkelingen gehoorzaamden aan zijn ‘wetenschappelijke wetten der historische ontwikkeling’. Dit gaf aanleiding tot het ‘revisionisme’.

Verschillende marxistische denkers trachtten Marx’ theorieën te laten overeenstemmen met de feiten en de feiten met Marx’ theorieën. Zo ontstond een veelheid van marxistische scholen die het, soms heftig, met elkaar oneens waren. De meeste daarvan verdwenen, doordat er, wanneer marxistische bewegingen aan de macht kwamen, steevast een bureaucratische dictatuur ontstond, een maatschappij die niet de minste gelijkenis vertoonde met de samenleving die naar zijn opvattingen onvermijdelijk was. Ook mislukten de economieën van zulke maatschappijen zonder uitzondering, zodat ze verarmden. Een marxistisch bewind leverde de mensen zowel armoede op als tirannie. Op de lange duur kwamen daarom de meeste mensen tot de conclusie dat er iets aan de marxistische theorie mankeerde.[/size]


[size=1]Before any edits, post was:
--------------------------------

[font=Times New Roman][size=3]Marx dacht dat de dialectiek ongeveer als volgt beïnvloedde: Om überhaupt te kunnen overleven, moeten mensen bestaansmiddelen verwerven; ze moeten over die middelen beschikken om zichzelf te voeden, te kleden, onderdak te geven en in hun andere basisbehoeften te voorzien. Het is absoluut noodzakelijk om deze middelen te produceren. Maar zodra de productiemiddelen zich voorbij het allerprimitiefste stadium hebben ontwikkeld, gaan mensen zich specialiseren, omdat ze daar baat bij hebben. En zo worden ze afhankelijk van elkaar. Het produceren van de bestaansmiddelen is niet langer een individuele, maar voortaan een sociale activiteit. Binnen deze wederzijdse afhankelijkheid, die uiteraard de samenstelling zelf is, wordt het individu gekarakteriseerd door zijn verhouding tot de productiemiddelen; de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet, bepaalt in essentie zijn manier van leven en ook zijn bijdrage aan de samenleving als geheel. Ze bepaalt wie dezelfde belangen als hij heeft bij de verdeling van het maatschappelijk product en wie tegengestelde belangen. Zo ontstaan sociaal-economische klassen en de strijd tussen de klassen. De productiemiddelen zijn echter onderhevig aan een permanent veranderingsproces. Dus de wijze waarop mensen zich tot hen en tot elkaar verhouden, moet steeds veranderen. Bij elke belangrijke wijziging in de productiemiddelen verandert de samenstelling van de sociale klassen en dus ook de aard van de klassenstrijd. Volgens Marx verloopt dit proces op alle niveaus dialectisch. Op het oudste niveau wordt alle sociale verandering fundamenteel bepaald door de ontwikkeling der productiemiddelen. Deze ontwikkeling bepaalt dan weer de ontwikkeling van de sociale klassen en de klassenstrijd. En helemaal bovenaan komt ten slotte de ‘bovenbouw’: maatschappelijke en politieke tegenstellingen, religies, filosofieën, de kunsten, ideeën; al die dingen, zegt hij, worden uiteindelijk bepaald door de economische onderbouw.[/size][/font]

[size=3][font=Times New Roman] [/font][/size]

[font=Times New Roman][size=3]Marx zag de geïndustrialiseerde kapitalistische maatschappij van zijn tijd als het één na laatste historische ontwikkelingsstadium voor de komst van de conflictloze maatschappij. Hij dacht dat de meedogenloze ontwikkeling der moderne technologie meer en meer mensen werkloos zou maken, zodat de massa steeds groter en steeds armer zou worden en de productiemiddelen door steeds minder mensen beheerst zouden worden. Hierdoor zou de maatschappij in twee klassen uiteenvallen: de kapitalisten en de arbeiders. De tegenstelling tussen hen zou steeds scherper worden, totdat de arbeiders, met hun enorme getalsmatige overwicht, tegen de kapitalisten zouden opstaan en hen zouden omverwerpen, om zich de productiemiddelen toe te eigenen. Deze revolutie zou, in dubbele zin, het eind van de geschiedenis betekenen, want het was de climax waar alle gebeurtenissen op uitliepen en die alle dialectische verandering zou besluiten. Van opdeling van de maatschappij in klassen zou geen sprake meer zijn. De productiemiddelen zouden van iedereen zijn en in aller belang worden gebruikt. De maatschappij zou klassenloos en conflictloos zijn. Het zou niet meer nodig zijn om mensen te regeren, maar alleen om zaken te beheren. De mensen, niet langer door onbeheersbare historische krachten, of door regeerders, meegesleurd, zouden vrijelijk tot zelfverwezenlijking kunnen komen.[/size][/font]

[size=3][font=Times New Roman] [/font][/size]

[font=Times New Roman][size=3]Maar de toekomst die direct volgde op de tijd dat Marx schreef, ontwikkelde zich volstrekt niet in de richting die hij had voorspeld. Dat was deels te wijten aan het feit dat hij de aard van zijn theorie niet goed inschatte. Hij geloofde dat het een wetenschappelijke theorie was, net als de newtoniaanse fysica. Als we de juiste informatie hebben over de huidige toestand van bewegende objecten, kunnen we met behulp van de wetten van Newton precies voorspellen wat die zullen gaan doen. Marx geloofde dat hij de economische bewegingswetten van de maatschappij had ontdekt. Dat zegt hij in het voorwoord van Das Kapital. Hij denkt dat hij de ontwikkeling van de maatschappij met behulp van deze kennis exact kan voorspellen. Het was enorm belangrijk voor hem dat het marxisme als ‘wetenschappelijk’ werd gezien; hij noemde zijn vorm van socialisme dan ook ‘wetenschappelijk socialisme’ en minachtte andere vormen. Volgens hem waren die gebaseerd op louter utopische verzinsels, of op morele impulsen, of op wensdromen; terwijl hij wetenschappelijke studie van de maatschappij had gemaakt, ontdekt had welke krachten en wetten daarin werkzaam waren en zijn politieke leer op deze feiten had gegrondvest.[/size][/font]

[size=3][font=Times New Roman] [/font][/size]

[font=Times New Roman][size=3]Het idee dat het marxisme wetenschappelijk was, verklaart voor een groot deel waarom het tot laat in de 20ste eeuw populair bleef. Marxisten zagen hun overtuigingen gewoonlijk niet slechts als persoonlijke opvattingen, maar als absoluut zekere wetenschappelijke kennis. Dit gaf hun enorm veel zelfvertrouwen en maakte hen zeer onverdraagzaam jegens andersdenkenden; zodra ze aan de macht kwamen, verboden ze de publicatie of het leren van afwijkende ideeën. Het marxisme dankte zijn populariteit ook aan het feit dat het de toekomst van de maatschappij met wetenschappelijke precisie pretendeerde te kunnen voorspellen; het socialisme werd daarmee ‘onvermijdelijk’ en de socialisten hadden als het ware de toekomst aan hun kant.[/size][/font]

[size=3][font=Times New Roman] [/font][/size]

[font=Times New Roman][size=3]Doordat Marx benadrukte dat zijn ideeën ‘wetenschappelijk’ waren, stelde hij ze bloot aan weerlegging door de feiten, waaraan alle echt wetenschappelijke ideeën bloot moeten staan. En aan het eind van de 19de eeuw werd duidelijk dat de feiten niet met Marx’ theorieën overeenstemden. Nergens in de wereld bestond een maatschappij waar de ontwikkelingen gehoorzaamden aan zijn ‘wetenschappelijke wetten der historische ontwikkeling’. Dit gaf aanleiding tot het ‘revisionisme’.[/size][/font]

[size=3][font=Times New Roman] [/font][/size]

[font=Times New Roman][size=3]Verschillende marxistische denkers trachtten Marx’ theorieën te laten overeenstemmen met de feiten en de feiten met Marx’ theorieën. Zo ontstond een veelheid van marxistische scholen die het, soms heftig, met elkaar oneens waren. De meeste daarvan verdwenen, doordat er, wanneer marxistische bewegingen aan de macht kwamen, steevast een bureaucratische dictatuur ontstond, een maatschappij die niet de minste gelijkenis vertoonde met de samenleving die naar zijn opvattingen onvermijdelijk was. Ook mislukten de economieën van zulke maatschappijen zonder uitzondering, zodat ze verarmden. Een marxistisch bewind leverde de mensen zowel armoede op als tirannie. Op de lange duur kwamen daarom de meeste mensen tot de conclusie dat er iets aan de marxistische theorie mankeerde.[/size][/font][/size]
[/edit]
__________________
"Ras is geen sociale, maar een biologische constructie"

Laatst gewijzigd door Reltssum : 22 september 2005 om 11:39.
Reltssum is offline   Met citaat antwoorden
Antwoord


Discussietools

Regels voor berichten
Je mag niet nieuwe discussies starten
Je mag niet reageren op berichten
Je mag niet bijlagen versturen
Je mag niet jouw berichten bewerken

vB-code is Aan
Smileys zijn Aan
[IMG]-code is Aan
HTML-code is Uit
Forumnavigatie


Alle tijden zijn GMT +1. Het is nu 00:11.


Forumsoftware: vBulletin®
Copyright ©2000 - 2025, Jelsoft Enterprises Ltd.
Content copyright ©2002 - 2020, Politics.be